Sculptor · 2003-2004
Francesco Petrarca

Images
Petrarca staat met zijn levensbeschouwing aan de basis van het humanisme en schreef een sublieme verzameling uiterst gevoelige gedichten – sonnetten die grotendeels betrekking hebben op zijn geïdealiseerde liefde voor Laura.
Het project bracht ik in 2004 ter gelegenheid van zijn 700ste verjaardag.
Van verre leek mijn liefste in ’t verleden,
wanneer ik sliep, minzaam en engelachtig,
maar nu maakt mij haar droombeeld zo neerslachtig
dat schrik en angst mijn somber hart betreden.
Dikwijls zie ik op haar gezicht naast vrede
ook diepe deernis staan en een waarachtig
verdriet, en hoor ik dingen die mij onmachtig
tot vreugde en hoop met droefenis omkleden.
‘Heb jij,’ zegt ze, ‘nog in herinnering
hoe ik jou ’s avonds troosteloos liet staan
toen ik, omdat ’t al laat was, huiswaarts ging?
De trieste waarheid die ik toen niet aan
jou wilde of kon vertellen, lieveling,
is dat ik toen voorgoed ben heengegaan.’
Ik heb geen vrede en ik kan niet strijden,
ik hoop en vrees, ik gloei en ik ben van ijs
ik zweef naar boven en ik lig te lijden,
ik heb de wereld lief, die ik misprijs!
Ik ben verlost en kan me niet bevrijden,
ik heb houvast en raak toch van de wijs,
ik voel me leven en gestorven beide;
ach, liefde is zowel hel als paradijs!
Ik zie verblind, ik schreef en kan niet praten,
ik haat mezelf en houd van iedereen,
ik roep om hulp en wil het leven laten,
ik huil van vreugde, ik lach terwijl ik ween,
leven en dood kwelt mij in gelijke mate:
en dit, o liefste, komt door jou alleen!
Alleen en peinzend en met trage tred
zoek ik mijn weg door de eenzaamste gebieden,
terwijl ik steeds mijn ogen scherp laat spieden
naar plaatsen waar geen mens zijn schreden zet.
Ik ken geen ander middel dat mij redt
van ’t oog der mensen dat ik wil ontvlieden.
Want dat laaiend vuur mijn bloed doet zieden,
merkt ieder die maar even op mij let.
Ik denk dat berg en bos, rivier en veld
(en zij alleen) wel zien in welke mate
de stille pijn van de eenzaamheid mij kwelt.
Maar toch vind ik geen plaatsen zó verlaten
dat Liefde mij daarheen niet vergezelt
om steeds met mij, en ik met haar, te praten.













