Beeldhouwer · 1998
Also sprach Zarathustra

Beelden
VAN DE HOGERE MENS
Toen ik voor het eerst tot de mensen kwam,
beging ik de kluizenaarsdwaasheid, de grote dwaasheid:
ik ging op de markt staan.
VAN DE VLIEGEN VAN DE MARKT
Waardig weten woud en rots te zwijgen met u.
Wees weder gelijk de boom, die gij liefhebt, breed van takken:
stil en luisterend hangt hij over de zee.
Waar de eenzaamheid ophoudt, daar begint de markt;
en waar de markt begint, daar begint ook het rumoer der grote toneelspelers
en het zoemen der giftige vliegen.
DAT HIJ EEN BRUG IS EN GEEN DOEL
Het grote in de mens is: dat hij een brug is en geen doel;
wat bemind kan worden in de mens, is dat hij een overgang is en een ondergang.
dat de mens een brug moet wezen en geen doel:
zichzelven zalig prijzen om zijn middag en avond, als weg tot nieuwe dageraden.
ZARATHUSTRA
Een waarheid, die slechts in fijne oren binnensluipt, noemt hij leugen en nietswaardig.
Doch de stem der schoonheid spreekt zacht: Zij sluipt slechts binnen in de wakkerste zielen.
‘Geef ons een pose en een kleine echt, om toe te zien, of wij of grote echt wel deugen!
Wel is het een groot ding, altoos getweeën te zijn!’
VAN OUWE EN JONGE VROUWTJES
‘Hoe sluipt gij zo schuw door de schemering Zarathustra?
En wat verbergt gij behoedzaam onder uw mantel?’
‘Is het een schat, u geschonken? Of een kind, dat u geboren werd?
Of gaat gij thans zelf de paden der dieven, gij vriend der bozen?’
Waarlijk, mijn broeder! Sprak Zarathustra, het is een schat, die mij werd geschonken: een kleine waarheid is het, die ik draag.
DE ZEVEN ZEGELS
Een!
O mens! Geef acht!
Twee!
Wat spreekt de diepe middernacht?
Drie!
‘Ik sliep, ik sliép-,
Vier!
‘Uit diepe droom ik wakker lag:-
Vijf!
’t Heelal is diep,
Zes!
‘En dieper dan de dag zich dacht.
Zeven!
‘Diep is haar pijn -,
Acht!
‘Lust – dieper nog dan ’t harte lijdt:
Negen!
‘Pijn spreekt: Verdwijn!
Tien!
‘Doch alle lust wil eeuwigheid -,
Elf!
‘-wil diepe, diepe eeuwigheid!’
Twaalf!
WILT GIJ NAAR VERRE HOOGTEN
Wilt gij naar verre hoogten, gebruik dan uw eigen benen. Laat u niet omhoog dragen, ga niet zitten op vreemde ruggen en koppen!
Gij steegt te paard? Gij rijdt nu haastig omhoog naar uw doel.
Welaan, mijn vriend! Maar lampoot zit ook te paard!
Wanneer gij uw doel bereikt hebt, wanneer gij van uw paard springt: op uw hoogte juist, gij hogere mens, -zult gij struikelen!




















































